Van sommige dingen heeft bijna iedereen wel eens last. Daar hoeft geen DSM IV of V aan te pas te komen om vast te stellen dat het heel normaal is. Dat het gewoon is zoals dat nou eenmaal gaat.
Zoals wanneer je bijna op vakantie gaat en nog anderhalve dag moet werken. Dat je de zin dan uit je tenen moet sleuren. Dat je ineens helemaal niet meer geneigd bent in je vrije tijd even je werkmail te checken. Laat staan dat je jezelf kunt motiveren om in het weekend iets te doen voor een project. Zelfs niet als dat project Poco Loco heet. Dat je voor jou doen in het weekend zelfs opmerkelijk lui wordt, dat de schwung er wel zo’n beetje uit is, voor zover die erin zat. En dat je op werkdagen bijna je bed niet kunt uitkomen. Dat het vrijwel onoverkomelijk lijkt, de uren die je nog op werk moet doorbrengen. Dat er nog maar één ding echt belangrijk is, waar je reikhalzend naar uitkijkt, waarvoor je staat te trappelen van ongeduld. Vakantie. VAKANTIE! Heel normaal, allemaal.
Het enige wat misschien een beetje gek is, is dat ik mezelf eraan moet herinneren dat het heel normaal is, het geen zin meer hebben, het mezelf zo hard moeten motiveren om nog heel eventjes door te gaan – dat dit geen depressiviteit is, geen borderline, geen stoornis whatsoever, maar gewoon gezonde vermoeidheid en gezonde zin om uit de sleur te stappen.
Vandaag nog een halve dag, morgen een hele dag werken. Het lijkt me zo onmogelijk om daarvoor nog de energie op te brengen dat ik er bijna van moet huilen. Maar huilen ga ik niet doen. Powerheels aan en gaan – nog heel even maar.





