Geur – je ziet het niet, je hoort het niet, je voelt het niet. Vaak kun je nauwelijks aan anderen beschrijven wat je ruikt. Van welke geur werd ik maandagnacht nou eigenlijk wakker? En wat rook ik op het toilet van mijn werk toen ik voor het eerst besefte dat het echt helemaal niet goed met me ging, toen ik jaren geleden zwaar depressief bleek te zijn? Een geur, stank eigenlijk, een zwaar mengsel van schoonmaakmiddelen en meer rook ik daar en ik alleen rook dat. Het was een geur die zo allesomvattend was dat ik bijna niet kon kijken, alsof het licht het niet goed deed, alsof ik door een mistige damp mijn weg moest zoeken. Depressiviteit is daarom in mijn herinnering in de eerste plaats verbonden aan een geur. Net als migraine trouwens – nog voor ik voel dat ik hoofdpijn heb, ruik ik het: migraine heeft de geur van de uitlaatgassen van brommertjes en van auto’s alsof ik ermee in een te kleine ruimte opgesloten zit. Door bepaalde geuren zit ik ineens op het gammele krukje bij mijn grootmoeder in de keuken en de beste boeken ruiken het lekkerst. Vakantie in Griekenland ruikt naar kruiden en Istanbul ruikt naar salep.
Ik las laatst dat je niets ruikt als je slaapt. Daar geloof ik niks van. Ik droom weleens geuren. En ik werd er maandagnacht dus wakker van. Met piepende meters, een warmtecamera, zaklampen en een hoop gestommel stelde de opgeroepen brandweer vast dat er geen sprake was van explosiegevaar of andere vervelende zaken. En een gebroken nacht ruikt voortaan naar een verontrustende, niet te plaatsen olie-achtige geur.





