May 082013
 

130508 De geur van een gebroken nacht

Geur – je ziet het niet, je hoort het niet, je voelt het niet. Vaak kun je nauwelijks aan anderen beschrijven wat je ruikt. Van welke geur werd ik maandagnacht nou eigenlijk wakker? En wat rook ik op het toilet van mijn werk toen ik voor het eerst besefte dat het echt helemaal niet goed met me ging, toen ik jaren geleden zwaar depressief bleek te zijn? Een geur, stank eigenlijk, een zwaar mengsel van schoonmaakmiddelen en meer rook ik daar en ik alleen rook dat. Het was een geur die zo allesomvattend was dat ik bijna niet kon kijken, alsof het licht het niet goed deed, alsof ik door een mistige damp mijn weg moest zoeken. Depressiviteit is daarom in mijn herinnering in de eerste plaats verbonden aan een geur. Net als migraine trouwens – nog voor ik voel dat ik hoofdpijn heb, ruik ik het: migraine heeft de geur van de uitlaatgassen van brommertjes en van auto’s alsof ik ermee in een te kleine ruimte opgesloten zit. Door bepaalde geuren zit ik ineens op het gammele krukje bij mijn grootmoeder in de keuken en de beste boeken ruiken het lekkerst. Vakantie in Griekenland ruikt naar kruiden en Istanbul ruikt naar salep.

Ik las laatst dat je niets ruikt als je slaapt. Daar geloof ik niks van. Ik droom weleens geuren. En ik werd er maandagnacht dus wakker van. Met piepende meters, een warmtecamera, zaklampen en een hoop gestommel stelde de opgeroepen brandweer vast dat er geen sprake was van explosiegevaar of andere vervelende zaken. En een gebroken nacht ruikt voortaan naar een verontrustende, niet te plaatsen olie-achtige geur.

  •  Wednesday 8 May 2013
  •  Posted by on Wednesday 8 May 2013
  •   2 Responses
  •  Tagged with:
May 052013
 

130505 Oorlog in mijn hoofd

In de Tweede Wereldoorlog verhuisde mijn moeder met haar ouders en broers vanuit Brabant naar platgebombardeerd Rotterdam. Ook toen, en zeker midden in de oorlog, had zo’n verhuizing van het rustige Brabant naar het stadse westen vast een flinke impact op een meisje van een jaar of 7. Als ik denk aan het huis waarin zij en haar ouders en broers woonden, stel ik me een zwart-wit beeld voor van een groot, eenzaam huis op een vlakte die vol ligt met puin. Het schijnt dat mijn moeders moeder, mijn grootmoeder, geraniums in oranje potten in de vensterbank zette. Plantenprotest tegen de bezetter. Ik weet niet of het waar is.

In de Tweede Wereldoorlog speelde mijn vader op de puinhopen van de straten in Den Haag. De straatstenen waren verwijderd en er waren een soort loopgraven gegraven, heb ik begrepen. Als het luchtalarm ging, moest hij gauw binnen zien te komen. Het lijkt een spannend jongensboek. Ook wat ik me daarbij probeer voor te stellen zie ik in groezelige zwart-wit beelden.

Mijn ouders spraken vrijwel nooit over die tijd. De oorlog leek een onderwerp dat je moest mijden, waardoor het altijd zwaar op alles drukte. Vooral op mijn ouders – mijn moeders somberheid en afstandelijkheid, mijn vaders driftbuien en chagrijn, hun beider snauwerigheid en onbereikbaarheid: het komt allemaal door de oorlog, dacht ik als kind. Verrast ben ik dan ook nog altijd als ik mensen zie, hoor, die ook de Tweede Wereldoorlog meemaakten, die nog heftiger dingen meemaakten in die tijd, die in concentratiekampen zaten, die wel kunnen lachen, wel kunnen stralen, die geen leven in enkel zwart-wit beelden meedragen.

Vandaag is het bevrijdingsdag. Ik heb nog steeds vaak oorlog in mijn hoofd. ‘s Nachts komt de oorlog nog steeds terug, fullcolour, en ben ik geregeld op de vlucht.

Ik voel me nog altijd niet bevrijd van de oorlog waar ik niet bij was, maar die ik toch meemaakte.

Apr 292013
 

130429 Een uitnodiging voor een feestje“Gisteren heb ik trouwens weer een interessant verzoek in m’n mail gekregen. Het wordt nog ‘ns een schatkist, die mailbox van mij”, zei ik vanochtend op Twitter en Facebook. Afgelopen donderdag vroeg een uitgever me om een boek over borderline te proeflezen – graag!, was natuurlijk mijn antwoord. En nu wil een tijdschrift mij interviewen – ik zeg weer geen nee.

Maar behalve deze leuke mailtjes zit er ook nog iets anders in mijn inbox. Namelijk een uitnodiging voor een feestje van mijn ouders.

“Laatst kreeg ik een uitnodiging voor een feestje”, vertelt T. “Gelukkig had ik al iets anders, dus ik kon gewoon afzeggen. Ik ken die mensen amper, ik kende geen van de andere gasten en ik hou helemaal niet van feestjes!”
Ik knik. Ik heb geen hekel aan feestjes. Alleen weet ik me er geen raad mee. Al die mensen met wie je wel of niet moet praten, al die geluiden die zo hard binnenkomen dat ik niet meer goed kan zien – luister en kijk maar eens naar de begintune van de serie Homeland om te horen wat er dan in mijn hoofd gebeurt (zet ‘m hard zo hard mogelijk).
“Is het niet raar”, reageer ik, “dat je niet gewoon kunt zeggen dat je de uitnodiging niet aanneemt? Dat je het gevoel hebt dat je moet verantwoorden waarom je niet kunt komen?”

Ondertussen reageert mijn lichaam direct op de uitnodiging van mijn ouders, nog voor ik kan bedenken wat ik ervan vind. Steen in mijn maag, dichtgeknepen keel, knoop in de spieren tussen mijn schouders. En vraag ik me af wat ik nu weer moet zeggen om het af te wimpelen. Terwijl het heel eenvoudig is: ik hoef niks te verzinnen. Ik zit aan de andere kant van de Atlantische Oceaan op de dag van het feestje.

  •  Monday 29 April 2013
  •  Posted by on Monday 29 April 2013
  •   2 Responses
  •  Tagged with:
Apr 272013
 

130427 Verder nog even niets

Al jaren vocht ik er tegen. Al jaren was het regelmatig een overweging om er daarom dan maar mee te stoppen. Al jaren dreef het me tot wanhoop.
Hoofdpijn.
Hoofdpijn na het hardlopen, om precies te zijn. Alles probeerde ik: veel drinken van tevoren, weinig drinken van te voren. Niet drinken onderweg, wel drinken onderweg, en wat dan drinken: water, allerlei sportdrankjes al dan niet nauwelijks tot behoorlijk verdund met water, appelsap, jus d’orange, roosvicee of een mix daarvan, drinken na afloop en wat dan drinken na afloop – de laatste tijd wist ik zeker dat het Cola Light moest zijn. Hetzelfde wat eten betreft: 3 winegums na afloop.

Het hielp allemaal niks. Meestal niet, dan. Soms als door een wonder wel: dan had ik zomaar geen hoofdpijn na het rennen. Hoe lekker ik hardlopen ook vind: als daarna iedere keer weer tante Migraine op de stoep staat gaat de lol er heel snel van al.

Ik weet niet hoe ik erop kwam. Misschien doordat K. vroeg of ik destijds, na de trainingen op de hardloopclub, ook altijd hoofdpijn had. Nee, was mijn antwoord. Na de doordeweekse trainingen had ik nooit hoofdpijn. Wel na de zaterdagse trainingen in de duinen.

Hee… huh? En dan speelt mijn hoofd twee filmpjes synchroon af: after-training 1 en after-training 2. In 1 spring ik direct onder de warmste douche die de dameskleedkamer rijk was. In 2 spring ik in de auto en ben ik afgekoeld, heb ik het zelfs koud tegen de tijd dat ik de douche bereik.

De warmte van het water. De streling van de stralen. De omhelzing door de doucheruimte vol stoom. Het alleen maar hoeven zijn, tevreden over wat je deed en verder nog even niets. Zo eenvoudig blijkt het te zijn om after-running hoofdpijn buiten de deur te houden.

Toevallig besteedt Dutch Runners, de nieuwsbrief van de Atletiekunie, deze week aandacht aan migraine en de relatie met het weer. Zelf heb ik nooit een link tussen het weer en mijn migraineaanvallen kunnen ontdekken. Uit wetenschappelijke studies blijkt dat migraine en depressiviteit uit dezelfde  genetische aanleg voortkomen.

  •  Saturday 27 April 2013
  •  Posted by on Saturday 27 April 2013
  •   1 Response
  •  Tagged with:
Apr 192013
 

130419 Een adequate samenvatting

“Ik heb m’n hele leven al dezelfde tandarts”, constateerde ik gisteravond verrast. Toch was ik het echt zelf al die tijd zelf die jaar in, jaar uit naar dezelfde tandarts fietste. Dezelfde praktijk trouwens, niet dezelfde tandarts. Maar toen de vorige met pensioen ging, had ik nog niet eens eindexamen gedaan.

Ik ben niet bang voor de tandarts.

Maar ik kan er bijna niet tegen om in de stoel plaats te nemen. Ik associeer dat met de allerengste kermisattractie die ik me kan voorstellen (en ik vind op de kermis alles eng dat snel en hoog gaat, waarbij je vast gesnoerd wordt en waarbij gegild moet worden) – en die allerengste kermisattractie associeer ik weer met iets dat vroeger, thuis, de kieteldood werd genoemd en waarover ik het nu, hier, niet wil hebben. Ik heb het gevoel dat ik opengesneden word als ik mijn mond moet opensperren. Zonder dat ik daar nog enige invloed op lijk te kunnen uitoefenen, knijp ik mijn ogen dicht tot ik sterretjes zie. Ik ga kokhalzen als ik plastic plaatjes tussen m’n kiezen moet klemmen voor het maken van foto’s. Een gesprekje kan ik niet voeren omdat ik te druk ben met mijn mantra “ontspan, ontspan, ontspan”. De enige handeling die ik kan ondergaan zonder mijn adem in te houden omdat ik op dat moment opgelucht uitadem, is het maken van de afspraak voor de volgende halfjaarlijkse controle.

“Heeft u hyperventilatie?” vraagt het intakeformulier van mijn nieuwe tandarts, die maar 3 minuten fietsen is in plaats van bijna 30. Ik vul ja in. Het lijkt me wel een adequate samenvatting van het feit dat ik voor de tandarts niet bang ben.