Dagdromen, noemde ik het als puber. Als ik het er nu over heb noem ik het fantasiewerelden. Twee varianten op mezelf had ik daarin geschapen, en ik vond er rust en troost. De switch naar één van de twee maakte ik vooral in mijn hoofd, maar in gedrag en handelen ook in de beslotenheid van mijn eigen kamer.
Beetje onhandig, maar tegelijkertijd misschien wel de reden dat ik geen meervoudige persoonlijkheidsstoornis ontwikkelde, was dat één van mijn varianten een penvriendje had. Een echte, niet verzonnen. En die jongen belde op een dag op. Wilde langskomen. In real life. Waar ben ik eigenlijk mee bezig, schrok ik. Wat gebeurt er in mijn hoofd?
“Vergeet niet om er ook om te lachen!” waarschuwt Esther me in haar reactie op mijn blogpost van afgelopen dinsdag, waarin ik twijfelde over het nut van Poco Loco. “Niet alles is kwaadaardig bedoeld, en een grapje moet ook gemaakt kunnen worden.”
Ik denk aan haar reactie als ik op het punt sta te gaan briesen over het zinnetje ‘Een meervoudige persoonlijkheid, wie heeft dat niet?’ Wéér dat onbegrip, wéér dat aanhalen van een ingewikkelde aandoening en doen alsof het niet zoveel voorstelt.
Aandoening? Dat staat er helemaal niet. Doen alsof het niet zoveel voorstelt? Staat er ook niet. Onbegrip? Integendeel. Ieders persoonlijkheid heeft meerdere kanten. Je laat zien wat het beste past, luidt de uitleg. Vandaar dat mijn collega’s bij mij niet snel iets als een borderlinekenmerk zullen herkennen. Maar de creativiteit die ze van mij zien, bijvoorbeeld, wordt gevoed door mijn gevoeligheid, en mijn gevoeligheid komt door mijn borderline (of andersom
).
“We hebben onze redenen om onze verborgen rollen ook verborgen te houden”, staat in de uitleg van het zinnetje. “Maar wat zou het mooi zijn om heel bewust die schaduwidentiteiten te combineren met reeds getoonde identiteiten: het zou onze identiteit voller maken.”
Voilà. De Poco Loco-boodschap.




